Van bedrijf naar gebied

Kansen op vernieuwing

De waarde van multifunctionele landbouw reikt verder dan het erf. Wanneer initiatieven voor natuurbeheer, recreatie, zorg en streekproducten zich verbinden met de kwaliteiten en opgaven van een gebied, kunnen zij bijdragen aan een aantrekkelijk landschap, sterke gemeenschappen en een toekomstbestendige plattelandseconomie. Rijksadviseur voor de Fysieke Leefomgeving Noël van Dooren verkent hoe die stap van bedrijf naar gebied kan worden gezet.

Door: Noël van Dooren

Ik vind in alle eerlijkheid multifunctionele landbouw een lastig begrip. Multifunctionaliteit lijkt me een middel om iets te bereiken, niet een doel in zichzelf. Ik wil daarover geen woordenstrijd voeren, maar dan begrijpt de lezer waarom ik in het vervolg van het artikel dat begrip weinig zal gebruiken.

Ik ben Rijksadviseur. Samen met de Rijksbouwmeester en mijn collega-Rijksadviseur adviseren wij als college gevraagd en ongevraagd over ruimtelijke kwesties in de breedste zin des woords. Zaken die met landbouw, natuur, water en landschap te maken hebben staan hoog op mijn agenda. Dat is zo in mijn rol als Rijksadviseur, maar ook persoonlijk. Ik beheer met een groep vrienden een boerderij met een hectare huiskavel tussen de Veluwe en de IJssel.

Foto van Noël van Dooren

Zo'n concrete plek in het landschap is tegelijk een venster op alle ontwikkelingen in het landelijk gebied: hoogwaterreserveringen, natuurschoonwet, zonnevelden, grootschalige woningbouw, overgangszones. En het laat zien welke ontwikkelingen de landbouw doormaakt. Ik zie min of meer traditionele boeren die moderniseren en opschalen en tegelijk zien dat groenblauwe dooradering en extensivering noodzakelijk zijn. Ik zie de intocht van nieuwe werkvormen: Herenboeren, Lenteland, Land van Ons. De transformatie naar voedselbos met tiny houses. Omvorming naar natuur. Huisverkoop. Recreatieve nevenactiviteiten. Een gebiedscoöperatie. De situatie van dit kleine perceel in de Stedendriehoek is natuurlijk specifiek, maar is tegelijk een praktijkvoorbeeld voor hoe het in heel Nederland toe gaat.

Over de auteur

Noël van Dooren is landschapsarchitect. Van 2025 tot 2029 maakt hij deel uit van het College van Rijksbouwmeester en Rijksadviseurs. Kwesties rond landbouw, water, bodem, ecologie en landschap spelen een belangrijke rol. Als Rijksadviseur probeert hij die te plaatsen in de bredere ontwikkeling van Nederland op de korte en lange termijn.

Noël van Dooren

Ik pendel als Rijksadviseur tussen wat je op zo'n concrete plek waarneemt en het schaalniveau van de kaart van Nederland. Daarbij is de Nota Ruimte waarvan we nu het concept kennen het kader. Die nota is juist waar het gaat over landbouw nu nog redelijk onuitgesproken, maar als je tussen de regels doorleest zie je allerlei verwachtingen, eisen aan en ontwikkelingen in het landschap. Die kunnen misschien goed samengaan, maar zullen soms ook stevig botsen. Er is ruimte voor (en noodzaak aan!) politieke besluiten, en er zijn feiten en internationale afspraken. Een feit is bijvoorbeeld dat de Rijn steeds meer een regenrivier wordt door klimaatverandering, met extreme pieken naar boven en naar beneden. Droogte - en dus zoetwatertekort - wordt een reëel probleem. Voor de landbouw zou dat als concreet gevolg kunnen hebben dat de beschikbaarheid van zoet water bij droogte, en om verzilting tegen te gaan, afneemt.

Uit de internationale afspraken volgt dat we, zoals onlangs het Planbureau voor de Leefomgeving schetste, een fors areaal nieuwe natuur nodig hebben - te onderscheiden in gebieden met de bestemming natuur, en gebieden waar nieuwe natuur samen kan optrekken met andere functies, zoals landbouw, mits die zich kan voegen naar de condities die robuuste natuur en het bodem- en watersysteem vragen. Ofwel: in plaats van 'peil volgt functie' wordt het 'functie volgt peil'. In de context van 'water- en bodemsturend werken' zal dat betekenen dat in de landbouw vaker rekening moet worden gehouden met een hoger peil en minder waterbeschikbaarheid.

In Nederland nemen wij een belangrijke positie in Europa in als het gaat om voedselproductie. Waarbij het deels daadwerkelijk gaat om voedsel, en deels om wat er ook bij hoort: kennis, innovatie, zaaigoed, pootaardappelen.

Twee hoofdbewegingen

Op de schaal van Nederland, in de context van die Nota Ruimte, zie ik twee hoofdbewegingen die van belang zijn voor de landbouw. De ene hoofdbeweging gaat richting gebieden waar grootschalige, hoogproductieve landbouw de condities van de plek (vruchtbare grond, ruime verkaveling en minder conflicten met kwetsbare natuur) benutten, en die in de ogen van sommigen ook 'op de kaart' moet komen in de vorm van een soort zonering, of zelfs een Agrarische Hoofdstructuur. Die discussie is nog lang niet afgerond en ondanks de leidende positie van Nederland op landbouwgebied is de toekomst ook voor die hoogproductieve vormen niet helemaal vanzelfsprekend: juist delen van die grootschalige kleigebieden verzilten, en we zullen in de toekomst dus met zoetwatertekorten rekening gaan houden. En die hoogproductieve landbouw is niet vrij van verplichtingen: ook daar zal groenblauwe dooradering gerealiseerd moeten worden, ook daar geldt de Kaderrichtlijn Water.

Maar juist in deze dagen, met een behoorlijk turbulent wereldtoneel en een oproep om minder afhankelijk te zijn als het gaat om bijvoorbeeld energie en voedsel is het van belang te bedenken dat wij, Nederland, in een vruchtbare delta een belangrijke positie in Europa innemen als het gaat om voedselproductie. Waarbij het deels daadwerkelijke gaat om voedsel, en deels om wat er ook bij hoort: kennis, innovatie, zaaigoed, pootaardappelen.

De andere hoofdbeweging gaat over de gebieden met meervoudige opgaven: veenweidegebieden, beekdalen, grondwaterbeschermingsgebieden en zones rondom Natura 2000. Of het nu gaat om watertekort, wateroverschot of waterkwaliteit, om biodiversiteit en stikstofoverschotten of het opzetten van peilen om de CO2 uitstoot terug te dringen, al deze opgaven hebben een grote impact op het functioneren van de landbouw. Die zal zich veel meer aan moeten passen aan de condities en beperkingen. In deze gebieden is een nieuw perspectief nodig. Andere typen van diensten en producten zullen steeds meer van belang worden: CO2-opslag, nieuwe vormen van natuur, wateropvang, biodiversiteit, energie, biomassa, kleinschalig wonen, maatschappelijke diensten.

Voor mij als Rijksadviseur is een grote vraag hoe dit proces kan verlopen op zo'n manier dat vormen van gezamenlijkheid ontstaan die passen bij de identiteit van een gebied, meer dan dat het een optelsom wordt van incidenten. Eén van de grote vraagstukken voor de nationale en provinciale overheid zal zijn, via welke instrumenten bijvoorbeeld ten aanzien van grondmobiliteit ze daaraan bij kan dragen. Vanuit mijn rol gezien speelt ontwerp daarbij ook een rol: kunnen we door middel van aantrekkelijke, geloofwaardige beelden laten zien hoe nieuwe gebiedskwaliteit kan ontstaan - waar individuele ondernemers aan bijdragen, in passen, en bij horen?

Op de kaart zie ik veel kleinere gebieden op allerlei manieren een meer of minder agrarisch karakter hebben. Dit zijn tevens de gebieden die het dichtst bij de stad de inwoners van die stad wijde horizonnen en een ommetje bieden.

Een stille derde beweging

Tussen die twee hoofdbewegingen in zie ik ook nog een wat stillere derde beweging, of beter gezegd, hoop ik op die derde beweging. De enorme opschaling, modernisering en specialisering die landbouw doormaakte betekent dat met name rond de grote steden brede zones zijn ontstaan waar landbouwkundig gebruik in een neergang is, of in afwachting, of de biezen gepakt heeft. Dat is ook wel logisch, vaak zijn deze gebieden doorsneden door infrastructuur en is een grote agrarische investering risicovol met de oprukkende stad in het vizier. Maar tegelijk zijn er tal van nieuwe landbouwvormen, en samenwerkingsvormen, die heel goed met kleinere ruimtes uit de voeten kunnen en waar de nabijheid van stedelijkheid juist van voordeel is.

Als provinciaal adviseur in Zuid-Holland heb ik een kaart laten maken van de gebieden rondom de steden die nu eigenlijk buiten de boot vallen (zie hieronder). Gaat het over de toekomst van de landbouw, dan gaat het snel over grote, bekende gebieden zoals bijvoorbeeld Hoekse Waard, Alblasserwaard, Krimpenerwaard, Westland. Op de kaart zie ik veel kleinere gebieden die toch op allerlei manieren een meer of minder agrarisch karakter hebben. En het zijn tevens de gebieden die het dichtst bij de stad de inwoners van die stad wijde horizonnen en een ommetje bieden. Als inwoner van Utrecht kan ik die gebieden ook direct detecteren: ze zijn duidelijk niet langer in profijtelijk agrarisch gebruik, wellicht in handen van een grondeigenaar die hoopt op verstedelijking, of in omvorming naar een nieuw verdienmodel. Ik zie veel paarden en caravans. Ik denk dat nieuwe vormen van voedselvoorziening hier weer leven in zouden kunnen blazen. Juist landbouwvormen die de keten op een andere manier inrichten (zoals Herenboeren) passen daar goed. Ik ben ook geïnteresseerd of daar een herwaardering kan ontstaan van vormen van tuinbouw die dicht bij de stad op kleine oppervlakten verse groente produceren.

Een kaart van Zuid-Holland.

Wil je de kaart in meer detail bekijken? Druk op de knop hieronder.
Let op: dit is een groot bestand.

Zoom in op de kaart

Van individu naar gebied

Tussen de regels door rijst bijna het woord multifunctionaliteit op. Maar dat is, zoals gezegd, voor mij geen doel op zich. Het is voor mij instrumenteel, gebiedsspecifiek, en onderdeel van een groter verhaal. De gebieden rond de steden, of de overgangsgebieden, zullen veelkleurig zijn, maar er zijn ook grote lijnen die met name met het systeemniveau van water en bodem te maken hebben, of met het krachtenveld van stad, infrastructuur en ruimtelijke ordening. Een vergaderfaciliteit op een boerderij helpt misschien het verdienmodel van de ondernemer ter plaatse, maar als het gaat om een veenweidegebied is dienstverlening op het vlak van het watersysteem van groter belang. Het één sluit gelukkig het ander niet uit, maar denkend vanuit de kaart van Nederland kleurt een behulpzame multifunctionaliteit dus mee met de aard van het gebied en de waarden die daar in het geding zijn.

Wat mij wel duidelijk lijkt is dat de toekomst van de landbouw en de toekomst van Nederland als geheel veel kansen bieden op vernieuwing. Mijn pleidooi is daarbij om het schaalniveau van de individuele ondernemer te overstijgen en steeds te denken op gebiedsniveau. Dat kan een polder zijn met een specifiek vraagstuk rond waterpeilen, een overgangszone op de droge zandgebieden, of een door snelwegen afgesloten stukje landelijk gebied. Wil het Nederlandse landschap in de toekomst kwaliteit hebben -en dan gaat het over schoonheid maar ook over bodem, water, natuur, erfgoed en inwoners- dan is een nieuwe vorm van gezamenlijkheid nodig waar multifunctionaliteit meehelpt dringende gebiedsproblemen op te lossen.